We wonen in dit kasteel!

Hoe zot is dat?

Dus nadat we beslist hadden om Oudenaarde om te bouwen tot vakantiewoning, waren we op zoek naar iets anders. Ik dacht wel dat Philip ooit in een kasteel wou gaan wonen, in de bossen, heel erg afgelegen, maar ik ging er vanuit dat dat eerder richting pensioen zou zijn.

Nu bleek dat hij vooral op dát type panden zocht. Ik denk dat hij twee jaar lang als een fervente erfgoedimmospeurder functioneerde en geabonneerd was op allerhande mailings en zoekopdrachten. Vaak ging ik mee kijken. En we hebben het een en ander gezien! Bijna altijd kastelen. Mooie pracht- en praalkastelen, enorm grote domeinen, kastelen die op instorten stonden en exemplaren die volledig gemoderniseerd waren. Kastelen met kapellen buiten en zelfs binnen. Kastelen die half afgebrand waren… Ik kan het zo gek niet bedenken. Torens, ik weet niet meer hoeveel. En over de daken valt er ook wel iets te zeggen! Om dan nog over de locaties te zwijgen: ongeveer in alle provincies van België en tot voorbij Amiens.

Het was moeilijk om alle vinkjes te zetten. Want je hebt natuurlijk een budget voor aankoop, maar je moet ook een inschatting maken van de enorme renovatiekosten. Je hebt de ligging die meetelt (ik wil mijn familie liefst binnen ongeveer een uur rijden kunnen zien), je hebt de taal, je hebt smaak, je hebt stijl… en je hebt gevoel. Het moet goed voelen, goed zitten, goed passen.

Ik had het bijna opgegeven, tot Philip me nogmaals meesleurde. Naar Frans-Vlaanderen deze keer. Toen we door de Westhoek reden, vroeg ik hem nog al lachend of hij mijn West-Vlaamse roots wilde eren. Maar hij reed doelgericht verder. Hij had een afspraak gemaakt bij iets wat net op de markt gekomen was, via zijn mailings had hij een absolute parel gespot. Ikke mee.

En het was sprookjesachtig mooi. Dat moet ik beamen. Het gevoel was er meteen, we voelden het alle twee. We waren de allereerste kandidaat-kopers die het bezochten. De immomevrouw zei dat haar telefoon ondertussen roodgloeiend stond van al die néerlandophones die het wilden bezoeken.

En dan moet je soms springen. Natuurlijk niet zonder parachute. Maar we maakten nogmaals alle (financiële) afwegingen en bespraken de nodige compromissen. De afstand was oké, dicht genoeg bij mijn familie. Ook dicht genoeg bij de Belgische grens. Zou Billie naar de Franse school gaan, we beslisten van wel. Dat deed nog het meeste pijn, haar weghalen van haar geliefde schooltje en dan ook nog in een andere taal. 

Lang verhaal kort, we sprongen en deden een bod. Het werd aanvaard. En zo sprong ons hartje ook een paar keer over. En zo belandden we hier in Frans-Vlaanderen en wonen we nu in deze mooie oude stenen. Billie vindt het hier best naar haar zin en zegt vaak al “mais maman, attends“. 

Tot snel, 

Stefanie 

PS: wil je dit type dingen ook als eerste in je inbox, schrijf je dan in op de nieuwsbrief.